Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/219

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
186
Schouburgh der

over de geslachten der zelfstandige Naamwoorden zig aldus laat hooren: Dringers en Dommekrachten styf op hun stuk staande weet ik dat hun voorhooft zullen kreuken, noch zig op laten dringen iet daar zy niet aan gebonden willen zyn enz. Yder kan by zyn meening blyven, die van gedachten is, dat wy knorven in biezen zoeken, en eene angstvallige naaugezetheit willen invoeren, die van geener waarde te houden zy.
De Lezer moet niet kwalyk nemen dat ik al weer zoo breed in deze buitenweiding heb uitgespat, zonder verlof, en tegens myne belofte. Ik bind my (de zaak zulks vereissende), daar zoo vast niet aan als de Schotze Monnik Paternus, die zig in het Klooster tot Paderborn liet verbranden; om dat hy geen verlof van den Prioor gekregen had, om daar te mogen uitgaan.

MATHIAS WITHOOS, van wien wy nu gaan spreken, is geboren t’Amesfoort in ’t Jaar 1627, de uitwerkzelen van zyne geneigtheit gaven al vroeg blyken dat hy tot een Schilder geboren was. Jakob van Kampen, Bouwmeester van het Stadthuis van Amsterdam, die vrindschap en ommegang met zyn Vader hield, ging hem dikwils bezoeken, wanneer hy op zyn woning op Ranbroek by Amesfoort was, en by die gelegentheit de uitwerkzelen van zyn vernuft zag. Hy bood zyn dienst uit geneigtheit tot de Konst den Jongeling aan, onderwees hem in de gronden der Konst, en bracht hem in den tyd van zes Jaren zoo veer door zyn onderricht, dat hy op eygen wieken konde dryven. Zommige jonge knapen die de reislust in ’t hoofd kreegen, waar van Otto Marceus een was, spoorden ook anderen, ook onzen Mathias en Hendrik Grauw

zyn