boven alle welke in zyn tyd op uitvoerig schilderen hebben toegeleit; om dat hy met het penceel meer heeft geteekent, en getoetst, als anderen die met verzachten en verdryven hun doel zochten te beschieten. Waarom zyn penceelwerk een groote kragt heeft, zelf veer af; daar in tegendeel de penceelwerken, op eene andere wys behandelt als in een mist verdwynen.
Hy stierf in goeden ouderdom, en liet veel gelt en roem na.
In dezen tyd, en al vroeger, was in vollen bloey NICOLAAS vander HEK, van wien van Mander op ’t laatste blad van zyn Schilderboek gedenkt met deze woorden: Te Alkmaar is ook een Nicolaas vander Heck van ’t geslacht van Marten Heemskerk, en Discipel van Jan Nagel, een goet Schilder byzonder in Lantschappen. Van Mander heeft hier den spyker (als het spreekwoort zeit) op ’t hoofd geslagen. Want dat hy een goed meester in ’t schilderen van Beelden en Historien is geweest, getuigen noch verscheiden van zyne penceelwerken: Nochtans was hy grooter meester in ’t schilderen van Lantschappen. Tot Alkmaar op ’t Raadhuis in Schepens Kamer, zyn van hem thans noch te zien drie stukken. Het eerste verbeelt den Baljuw van Zuidhollant, daar hy om zyne Koedievery door bevel van Graaf Willem, bygenaamt de Goede, het hoofd word afgeslagen. In het tweede zietmen afgebeelt hoe Cambyses den onrechtvaardigen Rechter levendig doet villen, en den Zoon op den Rechtstoel gezet, met des Vaders huid omhangen, doet pryken. En in het derde stuk vertoont zig de Koning Salomon, daar hy het geschil tusschen de twee Hoeren over het levende Kint beslecht, en naar rechte vonnist.