Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/221

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
188
Schouburgh der

kent heeft, my heeft verhaalt, dat hem de vingers door de Jight zoo krom als Arentsklauwen aan de handen stonden. Hy bedong in de fleur van zyn leven drie, vier, vyf, en ook wel zes hondert gulden voor een groot stuk, maar het was ’er ook na geschildert. Ik heb ’er gezien by de erven van den Heer de Moor Borgermeester van Hoorn, waar in op het aller uitvoerigste stonden afgebeelt Distelen, Lakebladen, en diergelyk soort van kruiden, tusschen beyde gevult met lies, graanhalmen, korebloemen, papavers; den gront gesiert met veil, paddestoelen, breweegbladen, en ander smal kruid: hier een Kikvors, daar een bontkleurige Hagedis, ginder een Slang die onder de schaduw van ’t loof schuilt, of ook wel een Muis, die aan ’t een of ander kruid zit te knagen, zoo uitvoerig dat men de haartjes zoude hebben konnen tellen; vorder de kruiden doorzaait, met allerhande soort van Rupzen, Slakken, Flintertjes, of ook wel een Spin in haar web; tot Mieren in ’t kluis, alles even natuurlyk en met grooten vlyt en gedult uitgewerkt.
Hy heeft drie Zonen gehad, welke mee de Konst hanteerden, en vier Dochters, waar van Alida de tweede ook Bloemen, Fruit, en diertjes in oly en waterverf schilderde, en nog in leven is.
Johannes de oudste had een langen tyd te Rome geweest, schilderde lantschappen in waterverf en bracht een voorraat van schetzen, en teekeningen met zig uit Italien, van de vermakelykste gezigten, zoo Lantschappen als Lusthoven, met voornemen van in Hollant zyn leven te slyten; maar zeker voorval lokte hem aan ’t Hof van den Vorst van Saxen Lauwenborg, daar hy ook gestorven is, in ’t jaar 1685.

Pie-