Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/227

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
194
Schouburgh der

Bouwkundig werd, ’t geen hy uit verscheiden stalen naderhant in zyne penceelwerken heeft doen blyken. Te Venetien was zyn penceelkonst inzonderheit gewilt, en hy door de zelve, en door zyn hups gedrag by alle grooten bemint. Na dat hy dus den tyd van tien jaren in Italien had doorgebracht, schryft du Pilé, (maar zyn Zoon de Heer Willem Verschuuring meld in een brief aan my geschreven van vyf jaren) keerde hy te rug na zyn Vaderlant; doch volbracht toen zyn voornemen niet; want nemende zyn reis door Zwitzerlant op Vrankryk ontmoette hy tot Parys den Zoon van den Heer Borgermeester Maarzeveen, die een speelreis naar Italien ging doen. Deze lokte hem (zonder veel moeite) van zyn voornemen af, om hem te verzelschappen in Italien, gelyk hy deed. Hy bleef daar drie jaren, en kwam eindlyk in den Jare 1662 in zyn geboortestadt Gorkom gezont, en vol schildervuur (om aan alle Konstminnenden te doen zien wat hy gevorderd was) met voornemen van daar zyn rust te nemen.
Hy zette zig zonder lang dralen tot het oeffenen van zyn Konst, daar hy straks beminnaars toe vont, dat hem den lust meer en meer deed wakkeren, en dus geen moeiten ontzien om de byzondere voorwerpen, daar zyn Konstzucht op doelde, na te sporen. Dus begaf hy zich gins en herwaard in de legerplaatsen en waar schermutzelingen (inzonderheit onder de Ruitery) voorvielen; waar hy dan een afschetzing maakte in een Boekje dat hy tot dien einde altyd by zig had. Inzonderheit vont hy daar toe gelegenheit aan de hant in de jaren 1671 en 72, achtgevende op de wyze van Camperen, orde in vechten, aftrekken, vluchten, en uitplonderingen der dooden en gekwetsten na den

Velt-