Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/229

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
196
Schouburgh der

len te Gorkom, zond my dit volgende byschrift op des zelfs afbeeltsel (geplaatst in de Plaat H 1.) door hem zelf berymt in een Brief.

Verschurings beeltenis word in dit beeld verbeeld,
De paerel aan de Kroon van Gorinchems banieren;
Rechtschapen kroost als van Parrhasius geteelt,
Dat op zyn’ trekken trekt met onnavolgb’re zwieren.
Wil iemant klaarder licht dan uit dit beeld, en vaars?
Zoek hem in lofspraak by het puik der Konstenaars.

Deszelfs Zoon WILHEM VERSCHURING heeft zig ook eenige agtereenvolgende Jaren in de Schilderkonst geoeffent: eerst in zyn jeugt by zyn Vader, naderhant by Johannes Verkolje te Delf. Zyn geneigtheit viel op het schilderen van Gezelschapjes, Beeltjes, en ook wel Pourtretten. ’T geen hy door ’t penceel gemaakt heeft doet ons klaarlyk zien, en besluiten, dat, indien hy in den yver voortgevaren had met de Konstoeffening, hy tot de hoogte van den konstberg zoude opgekloutert hebben, maar hy heeft afgelaten van daar in voort te gaan, en nu al eenige jaren het penceel niet meer geoeffent, belet door voordeelige bezigheden die hy aan de hand heeft.

Hy is tot Gorinchem van elk bemint, en geacht, gelyk zyn Vader, welke ook in zyn tyd aldaar Regerend Borgermeester was, gelyk ook voor hem de vermaarde Konstschilder, zyn tyt- en Stadgenoot JAKOB vander ULFT mede tot de waardigheit van het Borgermeesterampt is verheven geweest. By wien gemelde Vander Ulft de Konst geleert heeft weet ik niet: maar dat hy zig door zyn Konst een naam gemaakt heeft,

en