te lang met de Meesters begraven geweest, om ’er op ’t onzeker naar te delven. Ook zyn de toegangen tot de Elizeesche Velden thans niet bekent. Anders mogt m’er de schimmen der overledenen naar vragen, gelyk zulks outyts van den Roomschen Puikdichter Nazo is verdicht.
Wy hebben nu te spreken van JAN TEUNISZ. BLANKHOF geboren tot Alkmaar (daar zyn Moeder Stads Vroedvrouw was) in ’t jaar 1628 op [1] Koppertjes Maandag.
Zyn eerste onderwyzer in de Konst was Arent Teerling, gebynaamt Sinceer. Dezen vinden wy 1632, op de naamlyst van de Alkmaarsche Konstenaars als Meesters geboekt; dog ik gis dat hy in dien tyd een van de geringste der Broederen zal hebben geweest, aangezien hy zig tot den kladpot begaf: om dat de Fortuin misschien zyn Penceeloeffening niet gunstig was. Het zy daar
- ↑ De Kopperdag was van outs een Bacchus en Ceres-dag, waar in alle overdaad en geilheit gepleegt werd, en als of dan alles met Caracalla geoorloft was; die zyn eigen Schoonmoeder misbruikte, daar die snoode zeug nog op zeide; zoo gy wilt, het is u geoorloft; om dat gy Keizer zyt. Die van ’t Papendom plegen op dien dag door Siam met kopere Cocorillen te loopen, op den Rommelpot te spelen, en alle overdaad te plegen, en werden dus voor yverige Papisten gehouden. Dog dit doen is door de Kristen Overheit van tyd tot tyd besnoeit. Zie Abr. Magyrus, in zyn Historie van de Almanachs Heiligen, pag. 31.
Onze Schilder, die wat van zyn geboortedag schynt aangeerft te hebben, was los, ongebonden van leven, woelig, en tot veranderingen geneigt, waarom hy zig ook op de laatste Vloot die tot ontzet naar Candia onder ’t bestier van den Graaf van Waldek scheepte, begaf. Dit was in de Lente van ’t jaar 1669, toen het in Slachtmaand van ’t zelve jaar, na een twintigjarige belegering door de Turken, van de Venetianen ingenomen wierd. Zie den Hollantsen Merkurius op ’t jaar 1669.