Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/237

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
202
Schouburgh der

zyne konstoeffening overhindert voortzetten. Gelyk hy ook door yver zoo veer in ’t beesjes schilderen quam, dat zyne stukken voor Penceelkonst van Bamboots anders P. de Laar wierden aangezien; ’t geen gebleken is aan een stuk dat in openbare opveiling werd verkocht, voor een stuk van gemelden Bamboots, en de kooper bevond naderhand dat ’er B. Graat fecit onder geschreven stont. Met dezen roem hield hy zig niet vernoegt, maar bevindende dat zyne schouders gewigtiger zaken konden torschen, nam ’er proef van. Dus plachten vernuftige Konstenaars (zeit [1] F. Junius) hunne krachten voorzichtelyk t’overwegen, of zy namentlyk machtig genoeg waren, om uit te voeren ’t geen zy ter hand namen, agtervolgens den raad van Horatius, welke zeit: Laat ook uwe schouders van langer hand beproeven, wat ze magtig zyn te dragen of niet.
Hy ging dan over tot het zwaarste in de Konst, namentlyk tot het schilderen van Historien. En waarom niet? Het staat een yder vry (zeit Tullius in ’t leven van Brutus) zoodanige dingen ter hand te nemen, welke of uitnemende zyn van wegen hare grootheit, of aanmerkelyk van wegen hare nieuwigheit enz. En schoon het in het begin moeylyk valt, nochtans gaat het daar mee (zeit de Schryver der t’zamenspraken over de welsprekentheit) als met de vlamme, die door genoegzame brandstoffen gevoed, te heviger brant; De kragt onzes verstants groeit met de grootte der dingen. ’T welk hy ook door zig dagelyks in waardige bespiegelingen te oeffenen ondervond.
Onderwyl beving hem de Reislust, zoo dat hy zyne Schilderyen, Papierkonst, en al ’t geen hem

op
  1. ↑ 3 B, p. 207.