Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/239

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
204
Schouburgh der

zelschap tot een twintigtal aangroeide.
Hy had een lichtvaardige en vaste wys van teekenen, zoo met rood en zwart kryt als met het Penceel, en wist de zelve zonder veel moeyten, en vroeten, welstandig te maken en een natuurlyken zweem daar aan te geven.
Weinig leerlingen heeft hy tot de Konst opgekweekt, aangezien de bevinding hem had geleert, wat al zweet en moeiten het kost de Laurieren, die op den top van den Konstberg groeyen te bekomen: en ried dieshalven den Ouders of Opzichters van Kinderen, die zy tot de Konst wilden optrekken, dat af, als van een onzekere onderneming en gevolg, zeggende: dat een ambagt te leeren veel wisser ging, van een noodwendiger gebruik was, en minder af hing van de verandering des tyds, en het wisselvallig lot. Egter heeft hy ’er een, te weten Joh. Hendrik Roos, van Frankfoort, door zyn leerwyze opgekweekt, tot een groot Meester in ’t schilderen van allerhande Dieren. Welke hem ook ten bewys van dankbaarheit, naderhant van Frankfoort, zyn eigen afbeeltzel, nevens 3 Boekjes, met Schaapjes, Bokjes en Geitjes, door hem zelf in koper geëtst toezont. Dezen zullen wy op ’t jaar 1632 gedachtig zyn, als ook desselfs oudsten Zoon, die al een vremde en geestige rol heeft gespeelt op den Schouburgh van deze Waerelt.
De zucht en yver tot de Konst, als ook de oeffeninge in de zelve, bleef onzen Konstschilder (schoon hy tot een goeden ouderdom geraakte) tot het einde van zyn leven by: als uit dit volgende Gedicht, (dat uit de pen van D. Schelte gevloeit is, als onze Konstenaar het Schoorsteenstuk, ver-

beel-