Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/241

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
206
Schouburgh der
De weelde ontstak de liefde in Koning Davids ziel,
Toen Bathzeba hem van zyn dak zoo schoon beviel.

Dit baarde onkuisheit, die, terwyl zy streelt, al stil.
Bekoorb’re jongheit moord gelyk een Krokodil.

Straks zag men valsheit, en bedrog van dubblen aart
Als twee gezusters tot bederf der ziel gepaart.

De drift aan ’t hollen, zet de deur tot doodslag open:
En acht geen prys te hoog om ’t overspel te koopen.

In ’t eind ontwaakt berouw, de rust vlied uit ’t geweten:
Maar vint vergiff’nis by Gods Richterstoel gezeten.

Een Engel straft den Vorst, om Gods getergden tooren.
Doch die regt boete doet, gaat niet geheel verloren.

Eindelyk lust ons nog een zyner zinrykste teekeningen (schoon wy ruim breed genoeg hebben uitgeweid) te verklaren; om de schilderjeugt, die op eigen vindingen toeleit, in diergelyk geval met een bekwaam denkbeelt te voorzien, alzoo by gebrek van dien de meeste misslagen in de Konst begaan worden; want het is haast wel gemaakt dat wel bedacht is.
Hy werd aangezocht, om van een groot stuk, ’t geen geplaatst zoude worden tegens den muur over de glazen van de Pleitkamer op ’t Stathuis van Amsterdam, een schets te maken, gelyk hy deed. In het midden van de teekening zit de Waarheit die door den Tyd ontdekt wort, nevens haar de Onnozelheit door de Kindertjes, en Lydzaamheit door ’t juk ver-

beelt.