beelt. Aan hare linker zyde staat een mannebeeld, gekleed op de wyze der oude Roomsche Prætores, verbeeldende den Hoofd Officier, of Opperdienaar van ’t Waereltlyke Reght, Justitia of de Gerechtigheit nevens hem, en agter de zelve de Raadsheeren, mede op de wyze van de Roomsche Prætores of Schouten gekleed. Het Kintje aan de voeten van den Prætor of Schout beteekent gerust Gewisse. Voor de trappen daar het Recht en de Gerechtsdienaars op staan, ziet men de Gemeente, zommige daar van voor overgebogen, andere beladen met smeekschriften, en andere papieren, verzelt met hunne Advocaten, of Voorspraken, die hen naar ’t Recht wyzen, of opleyden, aan dien kant waar zig de Hoop op een verheven Galery doet zien. Aan den anderen kant ziet men het Bedrogh, de Moordery, Dievery, en Leugen, als ook een dorren Boom omwoelt met een Serpent, of Slang, ten zinnebeeld dat deze gebreken hunnen oorspronk uit de zonde hebben, verbeelt.
In de benedelucht zietmen Herkules, verbeeldende de Deugt, welke deze monsters verjaagt. Een gevleugelt Kintje zwevende boven de Deught kroont de zelve met Palm, en Laurier, ten teeken van Overwinning. En in de bovenlucht ziet men de Goddelyke Wysheit, Rechtvaardigheit en Genade, om de goedkeuring der Waereltlyke machten te bevestigen, in welk opzicht zy ook Gods Dienaresse genaamt wort.
’T waar te wenschen geweest dat hy dit door zyn Konstpenceel hadde afgemaalt: maar zulks werd door zeker voorval gestremt. Ook is jammer, dat wy zyn beeltenis by zyne le-
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/242
Uiterlijk
Deze pagina is proefgelezen
207
Schilders en Schilderessen.
vens-