Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/243

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
208
Schouburgh der

vensbeschryving niet mogen plaatzen: want zyn afbeeltzel is ons van zyn Schoonzoon tot dat gebruik geweigert.
Wat nu de byvoegselen aanbelangt, die tot elk Zinnebeeld in het byzonder vereyscht worden, zullen de zelve kennelyk wezen, daar toe kan elk Konstoeffenaar een groot behulp hebben aan het bekende Boek d’Iconologia, of Uitbeeldinge des verstants door Cezar Ripa: of hy kan zig bedienen van myn Tafereel der Zinnebeelden. Door dezen weg doet men de Schilderkonst, die anders stom is, spreken; en de Konstschilder weet zyn meening en oogwit hier door klaar t’ontdekken, als ook de plaats, en tyd, waar in het geen hy verbeelt voorgevallen is, aan te wyzen, op het voorbeelt van Nealies.
Deze (gelyk Plinius verhaalt) had een watergevecht tusschen de Egyptenaars en de Persianen afgemaalt: maar als hy nu het Nylwater, op het welke zy elkander aan boord klampten, niet wist van ’t Zeewater te onderscheiden, zoo heeft hy door een vernuftigen vond zoeken te verklaren, ’t geen hy anderzins door de Konst op geenerhande wyze wist uit te drukken. Dat is: hy schilderde op den oever een drinkenden Ezel, die door een Krokodil besprongen wort. Terwyl nu deze watergedrochten zig in den Nyl onthouden, gaf dit een klaar beduid, waar die scheepstryd voorgevallen was.
Dus weet een vernuftig Schilder den inhoud van zyn Konsttafereelen, gelyk de Redenkonstenaren den zin der enkele woorden, door het byvoegzel te verklaren.
Soort by soort, zeit het spreekwoord. Eenige Glasschilders van dezen tyd, die wy om hun Konst

niet