Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/246

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
211
Schilders en Schilderessen.

tot zyn leerlingen te zeggen: Gy moet maar stout toesmeeren: als gy vast in de Konst wort zal de netheid van zelf wel komen.
Door deze stoute wyze van schilderen wist hy vaardig, en wat uit de hand gezien wort welstandig te vertoonen. En aangezien hy doorgaans toeley op ’t geen ’t meeste voordeel aanbracht zagmen in zyn tyd de winkelhuizen binnen Haarlem met fraje geschilderde uithangborden pronken; meer als andere Steden, zoo dat de potzige Job Berckheiden pleeg te zeggen: vander Vinne is de Rafael in het schilderen van Uithangborden.
Onderwyl liet hy niet na zyn Konst anders ook te oeffenen, en door Zinnebeelden, en sprekende Beeltenissen (gelyk ook Goltsius, Heemskerk en Romein de Hooge gedaan hebben) zyn vernuft en geestige vindingen te laten zien. Tans willen wy ook een staal of twee der potzige bedryven van zyn groene jaren gedenken; die bewys geven dat, wanneer hy door zulks te doen in ’t naau raakte, hy zig van zyn vernuft, op zyn tyd, wel heeft weten te bedienen.
Zyn reisgezellen die van Haarlem hem verzelden naar Duitslant, waren Korn. Bega, Theodoor Helmbreker, en Willem du Bois; doch zy bleven alle niet by hem, maar dropen d’een voor en d’ander na weder naar huis, na dat zy zomwyl al geestige ontmoetingen (want onze vander Vinne tot potzeryen geneigt was) by gewoont hadden. Te Everdun in Switzerland, maakte hy een Vlieger, dubbel beplakt, en met lichten van binnen behangen, en liet die in den nacht met een goeden wind opgaan. Waar door de Boeren, op veere na de vernuftigste niet, op de been kwamen, en elk dit met verbaastheid beschouden, zoo dat

straks
O 2