Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/248

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
213
Schilders en Schilderessen.


Maar gelyk zulke die ’s winters op zwemmen, en des zomers op schaatsryden snoeven, meende hy ook genoeg bevryt te wezen, van dat hem een proef gevergt zou worden.
’T geviel egter dat het in den wintertyd van ’t jaar 1653 zoo streng koud wierd, dat het water, zelf het Lak of Meir daar omtrent, met ys toeraakte, en sterk genoeg wiert om een Mensch te konnen dragen. Toen maande hem de Heer, en al ’t huisgezin aan om nu zyn konst te toonen. Zyn eerste uitvlugt was, hy had geen schaatsen: maar die werden hem beschikt van een Koopmans Zoon, die in Hollant gewoont had. Nu kwam ’t op ’t nypen. Wat uitvlugt nu? want des anderen daags moest het spel aangaan, en de Heer had reeds verscheiden luiden van aanzien op dit gezicht genoodigt.
Nu moest ’er list gebruikt worden, om deze luiden niet voor spot te houden, die hem voor een snorker, of zwetzer zouden aanzien. Hy bedagt ’er des nagts een daar geen agterdocht op viel, en maakte die des morgens werkstellig. Hy sneed een gadt in zyn schoen, en kwam kreupel en hinkende voor de dag. Als ’er gevraagt wierd, Meester wat scheelter aan den voet? was ’t antwoort: ag! ik heb dien zoo deerlyk gestooten, dat ik gaan noch staan kan. Als straks gevraagt wierd: wel zalje dan wel konnen ryden? onmogelyk niet, was ’t antwoort. De Heer Rozet, hier in byster verlegen, zeide, wat raad nu? ’k heb reeds myne vrinden verzocht, en de tyd is gekomen. Ik weet raad antwoordde onze Schilder: Hier in de Stadt woont een Schoenmakers gast van Haarlem Joost Baile genaamt, die by uitmuntentheit fluks te schaats is, laat dien halen uit mynen naam. Deze was straks ge-

reed,
O 3