de vier Doelmeesters, ’t zelve dat van hem in ’t groot geschildert, hangt in de Kolveniers Doele op de Zaal boven den schoorsteen. Ook zietmen tot Amsterdam en elders veele enkele pourtretten die uitvoerig en konstig geschildert zyn.
Jan Vos laat zig op de Afbeelding van Juffr. Komstancy Reinst, door vander Helst geschildert, aan den zelfden dus hooren:
Op, Duitsche Apelles, op, verschyn met puik van verve:
Want Reinst verwacht u om te leeven op’t panneel.
Een geestig ommetrek vereischt een wis penseel.
Natuur vertoont in haar Vrou Venus en Minerve.
Zoo ziet men glans en geest, dat zelden beurt, gepaart.
Hoe! is dit leeven? neen: want Reinst, heel braaf van aart,
Vertoont zig hier van verf. ô Loffelyk vermoogen!
Wie ’t oog door verf bedriegt heeft eerelyk bedroogen.
Hy woonde in dien tyd te Amsterdam in de Doelestraat, won veel geld, was graag by gezelschap, had geen geneigtheid tot Italie, was vergenoegt met zyn Konst, en Stad, (zeit Sandrart) en had tot Jaren gekomen (wie is ’t aller uuren even wys?) een Jonge Vrou getrout, by welke hy een Zoon won, die mede een Pourtretschilder werd, en zyn Vader op het loffelyke spoor wel na stapte, maar te veer agter gebleven is om aan hem te gedenken.
Dat onze nabuurige Steeden tot Noorden gelegen in vroegen tyd en voorts niet misdeelt zyn geweest van brave Konstoeffenaars, zulks zal thans en in ’t vervolg blyken. Hoorn een dier oudste