Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/250

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
215
Schilders en Schilderessen.


Zy die al vander jeugt aan blyken gaf van een groot vernuft, en drift tot de Schilderkonst, heeft dat krachtig doorstralende konstvuur door tegenstreven niet gedooft, maar in tegendeel het zelve door moedgeving opgewakkert. Waarom zy ook ziende dat hare geneigtheit tot het schilderen van Bloemen, en ander stilstaande leven helde, voor zig een geacht en bekwaam Leermeester uitkoos, namentlyk den vermaarden Bloemschilder Johan de Heem tot Uitrecht.
De zedigheit, die in haar uitblonk, duld niet dat ik de waarde van haar konst door een langdradigen letterklank uitschater, of haren roem door een bochtigen bazuintoon uitbrom;

Frustra fit per plura quod per pauciora fieri potest.

’T is vrugt’loos dat me een zaak met veel omstandigheit
Van woorden uitdrukt, die in ’t kort kan zyn gezeit.

Hare wyze van schilderen was uitvoerig kragtig, zacht, en weer snel, naar de voorwerpen die zy zig voorstelde, gelyk bloemen die zulks om hare dunheit, en helderheid, zoo men de natuur in hare schoonheit wil nabootzen, vereisschen. ’T was de konstluister die hare Tafereelen zoodanig bemint maakte, dat de meeste Hoven, waar in de konsthefde huisvest, daar op verliefden. De konstkwekende Koning Lodewyk de XIV. heeft een van hare Konsttafereelen in zyn Konstkabinet geplaatst. De Keizer Leopoldus en zyne gemalinne ook een, die het zelve zoo hoog hebben gewaardeert, dat zy haar hunne pourtretten omzet met Diamanten ten prezent hebben toegezonden. Ook pronkten Koning Willem en Maria met een

van
O 4