daar had, wanneer ’t haar geluste zich in de Konst te oeffenen, werd nu en dan eens van Van Aalst, begeerig om haar Penceelkonst te zien, bezocht, die eindelyk ook bevallen in haar kreeg en de minnery maakte. Maria schoon niet trouwens gezint liet zulks echter niet blyken, veel min stiet zy hem met eene bof (als men zeit) voor ’t hoofd, maar bedacht een geestigen vond, waar door zy zyn voornemen verydelde. Zy was van een zeedig gedrag, yverig en naarstig in ’t oeffenen der Konst, hy een losse knaap, en die dikwils aan den wint ging. Dus maakte zy met hem verding, dat hy een gansch Jaar alle dagen (uitgezondert eenige uuren, die hy voor zyne uitspanningen uit bedong) zekere bestipte uuren moest schilderen: en dat zy hem dan te woord zoude staan om van minnery te spreken; maar indien hy dit niet na kwam, zy dan van haar gegeven woord ontslagen was, en recht zou hebben om hem af te wyzen, gelyk ook geschiedde. Nu schikte het zich zoo dat het huis, daar van Aalst woonde, van achteren tegen dat, daar Maria woonde, aanstiet, en zy van hunne schildervertrekken elkander konden zien en toespreken; zulks zy altyd weten konde of hy bezig was of niet, en wanneer hy voor het bestemde uur, in gevolg van het verding, als zy hem toeriep, niet antwoordde, schreef zy met kryt een schreef op den post van haar glasraam. Van Aalst, die wel gissing maken konde dat hy in dat jaar meer schuldstreepen op zyn kerfstok gekregen had, dan hy met een schoon praatje zoude hebben konnen goedmaken, kwam ’er naderhand niet naar omzien.
Men moet (zeit de spreuk) niet wyder trachten te springen als zyn stok kan reiken. ’T zyn ver-
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/252
Uiterlijk
Deze pagina is proefgelezen
217
Schilders en Schilderessen.
stand-
O 5