Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/256

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
221
Schilders en Schilderessen.

tratus de jonge, een genoechelyk en onschandelyk Bedrog. Maar die tyd is voorby geloopen, en men ziet thans van dien aart niet als vodden, door krukken en brekebeenen verzonnen, of naar de voorgemelde fraye beeldschilderyen gebrekkig nageaapt.
Niemant moet denken dat ik met dit verhaal de brave konst van myn Stadtgenoot tracht te ontluisteren; want ik ben gedrongen van hem te zeggen, als F. Junius van den ouden Pyrcicus: Dat hy bekwaamheit genoeg had om de grootste zaken in de Konst ter hand te slaan, maar dat hy zulks deed om de voordeelen die daar van kwamen. Ja Plinius, vermyd niet te zeggen van den grooten Konstenaar Protogenes. Dat hy tot zyn vyftigste Jaar Schepen geschildert heeft.
Onze Bisschop hield zich ook met zulk doen niet te vrede; maar oeffende zich ondertusschen tot groote ondernemingen. Een Edelmoedige geest (zeit zeker Spaans Schryver) wil liever middelmatig wezen in verheven bezigheit, dan uitmuntende in een middelmatige; want die zig vergenoegt met middelmatig te wezen in een geringe bezigheit, ’t is een bewys dat die geen Edelmoedigheit kent. Men moet Konst en Geest hebben, en daar na legt het behartigen daar de laatste hand aan. Gelyk ook zulks met hem gebeurt is, als aan menig konstig pourtret in Hollant, Zeelant, Brabant en elders te zien is. Daar benevens heeft hy ook verscheiden Historystukken gemaakt, die zyn roem in eeuwigduurent cement voor het vergaan behouden zullen. Een der zelve (bestaande in twee of drie beelden by Kaarslicht en voor een groote som gelt in Vrankryk verkocht) pronkt nu nog in ’t Kabinet van Koning Lodewyk. Hy werd door den

Ko-