Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/264

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
229
Schilders en Schilderessen.

van het heilig wezen afstraalde. Dus liet hem de Heere Kristus roepen, nam een doek en drukte de volkomen afbeelding van zyn wezen daar op, zoodanig dat het geen schilders penceel beter zoude hebben konnen treffen, en zont het naar gemelden Koning. Dit gelykt eer naar spotterny, schoon hy zeit: dat die zelve doek huidendaags nog, in de Kerk van St. Salvator tot Romen bewaart wort. Die Pater telt de waerelt al meer munt aan die niet gangbaar is. ’T gaat thans zoo niet als het plag. De meeste menschen willen zig als de hedendaagsche Israliten geen munt laten in de hand stoppen, of zy moet van goed alooy en wel gestempelt wezen.
Philips Hartog van Orleans, thans Regent van Vrankryk heeft in zyn jeugt de Schilderkonst geleert by den braven Konstschilder Coupel, en de zelve met yver en zucht geoeffent, zoo veer dat hy voor zig zelve in een der galeryen van zyn paleis verscheiden stukken geschildert heeft, daar met roem van gesproken wort.
Koningin Maria, eer zy tot de kroon quam, heeft (behalve dat zy konstig met de borduurnaald gewrogt heeft) ook in waterverf geschildert, waar toe zy zekere uuren daags bestipt had, die zy yverig en naarstig in acht nam. De Konstschilder Math. Wulfraadt heeft my verhaalt dat hy verscheiden Beeltjes en kleyne Lantschapjes van haar penceelkonst uitvoerig bewerkt gezien heeft, die de monstering van een keurig oog konden uitstaan. Zy had tot onderwyzer meester Gibsson, die schoon bejaart zoo kleen van persoon was, dat hy pas op een tafel kon zien.
De Prins van Wales, Zoon van Koning Jako-

bus.
P 3