Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/267

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
232
Schouburgh der

Deventer, die teffens ook Ridder was, en meer anderen, als ook een reeks van brave mannen die een eerlyken en godvruchtigen wandel geleit en in deugt, den waren Adeldom van een Kristen, hebben uitgeblonken. Ja daar zyn geen Maatschappen, Konstgenootschappen, of Gildebroederschappen welke zeer talryk zyn, of ik maak my sterk om aan te toonen dat ’er meer schurfte schapen onder loopen, als onder St. Lucas Broederschap. Behalven dit wort de konst doorgaans van hun geoeffent buiten bedrog, en eerlyk behandelt, de Handelaars uitgezondert; want die gaan (als Pater Abram zeit:) wel altyt met Waaren om, maar niet alle, of altyd met de waarheit. By gevolge vind ik geen reden dat zig ymant behoeft te schamen, dat ’er van zyn geslacht onder de Konstschilders getelt werden; zoo min als onder de Dichters; waarom ook And. Pels, in zyn vertaalden Horatius pag. 34 met recht zeit:

Voor ’t ov’rig hoeft gy u der Dichtkonst niet te schaamen,
Als of zy kwalyk aan den grooten zou betaamen.
ô Neen; want Orfeus, zoo in zynen tyd geacht,
Die tolk der Goden, heeft het menschelyk geslacht
Door vaarzen afgeschrikt van moord, en beestig leeven;
Waarom die brave naam den held is nagebleven,
Dat hy de Leeuwen, en de Tygers temmen kon.
Ja Vorst Amfion, die oud Thebe zelf begon
Te bouwen, kreeg dien naam, dat hy de harde steenen
Kon leiden door zyn luit, en vleyend dicht waar heenen
Hy wilde, enz.

Dit pleit heb ik voordachtig in dit tweede Boek-

deel