Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/272

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
237
Schilders en Schilderessen.

hem, alzoo hy het Boekhouwen, en de Schryfkonst meesterlyk verstont. Maar hy bleef daar niet lang, alzoo de Konstgodin hem tot hare oeffenschool lokte; gelyk hy zig dan met zyn 19 jaar begaf tot het teekenen van den Scheepsbouw naar ’t leven, zonder dat hy ooit de wyze van tekenen, of de behandeling van de teekenpen gezien had. Het leven was zyn voorwerp; en de drift zyn onderwyster.
’T was in dien tyd de Gulde Eeuw voor de Konst, en de goude appelen (nu door akelige wegen en zweet naau te vinden) dropen den Konstenaars van zelf in den mondt. Weynig tyd had hy maar toegeleid op het teekenen van Schepen, wanneer hy zyn zweet door loon verzoet zag; want hy kreeg voor een teekening 10, 20, 30, eindelyk 100 en meer guldens; het geen zyn yver niet weinig aanzette.
In middels kreeg hy kennis aan deze en gene konstoeffenaars, die hem aanmoedigden tot de penceeloeffening, daar hy wel geneigtheit toe had, maar niet wist hoe de zelve te behandelen. Aldert van Everdingen was d’eerste die hem een palet met verf en pencelen in de vuist stak om ’er een proef af te nemen. Dit ging zoo ’t best mocht, met maken en hermaken; evenwel het werd een stukje schildery, en hy kreeg ’er 10 gulden voor. Dan vraagde hy eens dezen, dan eens genen, aangaande de tempering of vermenginge der verwen, maakte zig door zyne leerbegerigen aart by elk bemint, en kwam hen op hunne schilderkamers, en in hunne bezigheid bezoeken, om af te zien hoe zy ’t een en ’t ander behandelden. Grooten toegang had hy tot den Zeeschilder Hendrik Dubbels, toen den oudsten onder de

bend