bend der konstenaren tot Amsterdam, door wiens openhartig bericht hem groote dienst geschiede.
Op dien grond boude hy voort en kwam eindelyk zoo veer dat de roem van zyn Konst een groot deel van de waerelt overklonk.
Hy was nyverig, stil, en borgerlyk van leven: deugtzaam van aard en bescheiden tegens elk. Nam hy eenige uitspanningen, ’t was altyt naar den Amstel, of Ykant, daarmen verschot van Vaartuigen vint, en altyt een Mastbosch van de toppen ziet wimpelen. Bestont Eool dan eens uit zyn windkolken te brullen, of de stormrioolen met zyn vuist op te rammeien; waar door de waterbaren, slag op slag schuimbekkende elkander vervolgen, den Zeeman met ingebonde reeven nootdrukkende om een goed heen komen te zoeken, naar de gereedste haven: dan geluste ’t hem (de minste zouden daar vermaak in vinden) zomwyle in een steigerboot te stappen, en zig te laten voeren tot voor den mond van de Zee, zoo om de barninge van ’t Zeewater tegens ’t strant, als de veranderinge van Lucht en Water in die gesteltheit af te zien. En wel inzonderheit deed hy zulks, wanneer hy voornemens was iet dergelyks te verbeelden op paneel; op dat hy daar van een levendig denkbeeld zoude meedragen, of het denkbeeld dat hy daar van had ververschen. Gelyk hy dan ook gewoon was, t’huiskomende zig op zyn schildervertrek op te sluiten, of niemant by zig te laten komen, tot dat hy zyn oogmerk in ’t schilderen bereikt, en aan zyn denkbeelt voldaan had. Met een woord gezeit: hy wist de menigvuldige veranderingen in die licht veranderende Elementen wonder wel na te bootzen.
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/273
Uiterlijk
Deze pagina is proefgelezen
238
Schouburgh der
’T