Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/274

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
239
Schilders en Schilderessen.


’T is veel gereeder, en ook met minder gevaar vermengt, Kool, Wortelen, en Rapen, Potten, Pannen, Bezem, en diergelyk keukengereedschap, naar zyn schilderkamer te torschen, om ’t zelve naar ’t leven af te beelden; ten minste kan ik begrypen dat Konstschilders, die met diergelyke denkbeelden zwanger gaan, geen grooten last daar van hebben, veel min bezorgt hoeven te wezen dat hun d’indrukzelen zullen ontschieten, aangezien dat hunne voorwerpen van dien aart zyn, dat, daar men ze eens geplaatst heeft, zy daar stil blyven staan. Egter hebben velen met het schilderen van beuzelingen hun voordeel bejaagt. ’t Mag my nog heugen dat de Konststchilder Gerard Dou, boven zyn bedongen loon, voor het schilderen van min dan 25 wormgaatjes in een oud Spinnewiel 25 guldens kreeg. Wat zal ik hier van zeggen? Als myn Meester S. v. Hoogstraten aan ’t Keizerlyke Hof was, was ’er ook een die zyn werk maakte van kleine pourtretjes in waterverf te schilderen, die hy zoo bevallig voor de Hofdames, met schoone koleurtjes wist op te pronken, dat zy ’er op verzot waren. Hoogstraten die vryborstig genoeg was, vreef dien Schilderbaas, (wanneer hy eens met hem alleen was) onder de neus: Dat al ’t geen hy maakte geen Konst mocht genoemt worden. Die daar op tot antwoort kreeg, na dat hy een hand vol goud uit zyn beurs gehaald hem liet zien. Mag dat geen Konst genoemt worden, daar zulks van komt? Wat zal ik anders zeggen, als dat het hedendaags noch beurt, dat menschen zig aan beuzelingen, die niet om ’t lyf hebben, en styve nettigheid zich vergapen; en Konstwerken die groots van vindin-

ge-