Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/276

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
241
Schilders en Schilderessen.
o Konstjuweel van Amsterdam!
o Eer, o luister van uw’ stam!
De late nazaat zal u kennen,
Zoo lang alom penceel en pennen
In waerde zyn en hoog geacht;
Zoo lang de Scheepvaert blyft in kracht;
De Scheepsbou, hoog in top getrokken,
’T gezicht der kenners kan verlokken.
Dan streeft uw Schepeschildery
Alle andre kunstenaers voorby,
En praelt in ’t oog der Amstelaren,
Die dankbaer uwen naem bewaren;
Uw’ naem, niet hier alleen verbreit,
Maar door alle oorden uitgespreit,
Tot in de Vorstelyke Hoven,
Die ’t werk van uwe handen loven.
Dan helpt gy Dichteren aan stof,
Om uit te weiden in uw’ lof.
Dan nooptge Apollen en Apellen,
Om u een eeuwige eer te spellen.
De Schilderkunst en Poëzy,
In onderlinge maetschappy
Getreên, vereeren u met kranssen,
En heffen u aan ’s hemels transsen,
Daar uwe pen, zoo onbevlekt,
Zoo net, zoo eêl, het al voltrekt.

De yver tot de Konst bleef hem tot het einde van zyn levenstyd by: alhoewel hy toen inzonderheit veeltyts met den steen, of het graveel geplaagt was, dat hy voor een bode hield die hem zyn aftocht kwam voorspellen; waarom hy zig ook by tyts tot die groote reis zoodanig gereed maakte, en getroost vervaardigde, dat de minste schrik en veran-

II. Deel.
de-
Q