Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/277

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
242
Schouburgh der

deringe, toen de uure naderde om te moeten van hier vertrekken, in hem (dus word ’er getuigt) niet kon bespeurt worden. Hy overleed in ’t jaar 1709, op den 7 van Slachtmaant, oud zynde 78 jaren.
Zoo men alle de Konstwerken, die hy gemaakt heeft, eens by malkander zag, men zou zig moeten verwonderen over ’s mans vlyt: en noch te meer als men daar by bedenkt; hoe veel tyd hy noch heeft moeten besteden tot het onderwys in de Schryfkonst; daar hy wiskonstige gronden of vaste leidingen toe uitgevonden had; en die hy aan verscheiden voorname Koopluiden kinderen (alzoo hy daar in beroemt was) geleert heeft; nevens een menigte uitgevoerde teekeningen, en geetste platen. Waar uit men besluiten moet dat hy naau een uur van zyn tyd ledig heeft laten deurslippen; een yver daar de Zeededichter Jer. de Dekker heel leerzaam en nadrukkelyk in dit volgende Vaarsje op zinspeelt:

Laat het kostelykst van al
U niet roekeloos ontslippen;
Dat ’s de Tyd, die snel gaat glippen:
Nimmer hy weerkeeren zal.
Och! hoe weinig is ’t getal,
Dat zyn uuren meet by stippen!

Een zaak die zeldzaam is, en waar van ik geen ander voorbeelt weet, staat my nog te melden. Gelyk men toe Amsterdam voor gebruik heeft, dat men de gene welke de overleden ter begravinge verzelt hebben, met een glas Wyn beschenkt, en dat door de naastbestaanden verzorgt word: zoo had hy daar omtrent die zorg en bestellinge

op