op zig genomen. Want hy had den Wyn tot zyn Begraaffenis noodig zelf by zyn Wynkooper gaan uitproeven, en den zelven verzegelt doen wegleggen. Men vond ook na zyn Dood een zakje met gelt, en daar in zoo veel guldens, als hy jaren oud was, afgepast voor de genen die hem ter aarde zoude dragen, neven een geschreve lyst van de namen der Konstschilders die hy daar toe uit de Bende uitgekeurt had; met belasting van het zelve ’t samen te verteeren.
Hier benevens, om aan te toonen dat hem de konstlust tot den avond van zyn leven is bygebleven, ontbrak nog te zeggen, dat hy plaatwerk onder den Tytel van den Ystroom, en Zeegezichten enz, in het 71 jaar zynes ouderdoms geëtst heeft. Hy had ook altyt een zonderlinge geneigtheit tot de Dichtkonst, en dus vriendschap gehouden met de geachtste Dichteren van zynen tyd, inzonderheit met de Heeren Francius, Broukhuizen, Antonides vander Goes, en D. van Hoogstraten. Onder verscheiden Gedichten op hem en zyne beroemde Konst gemaakt word het Latynsche gedicht van J. Broukhuizen boven alle geprezen, waar van de zin door gemelden Hoogstraten vertaalt hier op uitkomt:
Wanneer gy woedende en verbolgen
Het nat der zee ten hemel smyt,
Daar alles beeft en kermt en kryt,
En ’t yslyk onweêr aangestoven
Roert alles van den grond naer boven,
En loeit met weêrlicht, stoot op stoot,
En bulderenden donderkloot;
Of streelt d’oplopentheid der baren,