En al den hemel op doet klaren,
En stiert de schepen aan de ree;
O stomme dichter van de zee,
Wat zal ik eerst in top verheffen?
Uw arbeit, die dit net kon treffen,
Of uw weêrgadeloos verstand?
Als gy ’t penceel neemt in de hand,
En maelt de holle zee naar ’t leven,
Begint Leanders hart te beven,
Daar vast het minnen hem berout.
Ulisses schrikt voor ’t woeste zout.
Het oog aan d’andre kant vaert spelen,
En ziet den harder vrolyk quelen,
Al leggende op den oever neêr,
By ’t ruischen van ’t Ionisch meer.
Wie heeft u deze kunst gegeven,
Bakhuizen, om zoo hoog te streven?
Wat meester voerde u zoo ver heen?
Dat was geen menschenwerk, o neen.
Maer gy hebt dit geschenk genoten
Van Venus zelve, uit zee gesproten.
Zyn Beeltenis hebben wy geplaatst in de Plaat I boven aan, het Lystsieraad met een Scheepskroon gedekt, en onder aan een schryfpen vertoont.
Wy hebben reeds een deel wakkere mannen in de Konst ten tooneel gevoert, en zulke die uit een konstkundig begryp, de voornaamste zaken in hunne konstwerken hebben doen spreken, als ook hun meeste konst en vlyt daar op toegeleydt om de byvoegselen naar de rede welstandig in te vlechten, geprezen, en tot voorbeelden (om dit loflyk spoor te volgen) de Schilderjeugt voorgedragen. Thans