lust het ons zommige gebreken, daar omtrent begaan, om de zelve te vermyden, voor te stellen.
Philips Angels in zyn Lof der Schilderkonst, is van begryp dat een rechtschapen Konstschilder ervarenheit en kennis van alle Historien hebben moet, om voor te komen alle misslagen, die uit gebrek van onkunde voortspruiten. Onder vele (zeit hy) is my voorgekomen een stuk van een voornaam Schilder dien ik niet melde wil. Dezes toeleg was te verbeelden de Weduw van Sarepta met haar zoontje buiten de Stadt hout sprokkelende, alwaar de Propheet Ely haar ontmoet: daar van gy lezen kont 1 Kon. 17. Omtrent deze Historie wort vereischt een brandige drooge Lucht, dorre Velden en zwart verzengde Boomen, dewelke om de droogte die een gansch jaar agter een duurde, hun jong groen verlooren hadden: maar in plaats van dit in agt te nemen, had hy de lucht vol nevels en wolken en stormwind verbeeld. Dit laatste had hy willen uitdrukken door een Korenmolen dien hy op de Stadtswal geplaatst had, gezwicht aan de vier einden van de wieken: daar beneven had hy de weyden verzien met een menigte Vee, en de Boomen zoo groen verbeelt als in ’t prilste van en den May. Wel aangemerkt van onzen Schryver, ten bewys dat de Konstschilder voor af de Historische beschryving niet eens zal hebben gelezen, ten minsten geen acht gegeven op dit zeggen van den Propheet: zoo waaragtig als de Heer de God Israels leeft, voor wiens aangezicht ik sta, indien ’er Dou of Regen op ’t land vallen zal, enz.
Hoe dat ook die Konstschilder die Windmolen in ’t hooft gekomen is (op die wys als zy thans in gebruik zyn) weet ik niet: aangezien die daar even zoo ontydig te pas gebragt is, als de Pekelharing in een stuk van Jan Steen, daar hy de Fabel van
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/282
Uiterlijk
Deze pagina is proefgelezen
245
Schilders en Schilderessen.
Mitra
Q 3