Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/284

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
247
Schilders en Schilderessen.

Rembrant gezien te hebben, verbeeldende daar Martha aan Kristus klachtig valt, dat Maria zig der huiszorge ontrekt en die alleen op haar laat aankomen. Hier zat Martha afgebeeld, koeken te bakken onder den schoorsteen, op de wyze als men hier te land gewoon is, in een Luikse yzere pan, in een tyd eer Luik eens Luik genaamt was.
Al zulke misslagen ontspruiten uit gebrek van History- en oudheidkunde.
Maar in deze wyze van berisping schynt my F. Junius, (menigwerf van my om zyn verstandig oordeel geprezen) versterkt met spreuken uit Horatius en anderen, tegen te streven, in zyn 3 Boek pag. 331, daar hy dus zeit: Ten is myn meening gansch niet dat men naar de opperste volmaaktheit, tot de alderminste deelen in de voorgestelde tafereelen zoekende, elk ding door een vieze en knibbelige korzelheit aan het spitszinnigste begryp der Konstregelen zal toetsen; want men de overvliegende verstanden van groote meesters wat toe geven moet, wel verstaande dat men in klyne misgrepen beleefdelyk slap zy, zonder in grove en onduldelyke gebreken de zelve door de vingeren te zien. Het schynt in der waarheit of men zig boven andere menschen wilde stellen: of ten minsten niet gedachten dat wy mee menschen zyn die dolen konnen, als men gans geen fouten in anderen wil verschoonen.
Maar Junius, dit raakt my niet. ’T is ook myn meening niet alles aan het spitsvinnigste begryp der Konstregelen te toetsen, en voorts alles te wraken, en te berispen wat daar tegens aanloopt, wel wetende dat groote meesters wel eens misslagen begaan. De groote Homeer pleeg zomwyle wel eens te sluimeren zeit Horatius, met wiens konstigen

ver-
Q 4