Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/286

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
249
Schilders en Schilderessen.

Prins der Schilders. Over zulks zal zig niemant belgen dat ik zomwyl eens de gebreken ingeslopen in ’t werk van wakkere mannen aanwyze; aangezien de zelve strekken tot bakenvieren; om zelf de onbekende klippen van gebreken, daar de konstroem schipbreuk door lyd, zorgvuldig te myden.
Ik wil my zelven zoo min verschoonen, als anderen berispen, want heb anderen op ’t spoor volgende dikwils meê gedoolt. ’T is ook myn meening niet, niemant te achten voor een groot meester in de konst, ten zy hy van alle feylen vry is. ’T kan niet wezen. Immers wy hebben als noch geen voorbeeld dat ymant zoo veer in de konst gevordert is, dat men van zyn werken zeggen kan datze volmaakt zyn; want wy zyn alle menschen die de gebreken onderworpen zyn, en by gevolge de berispinge. Derft ymant te voorschyn komen, die buiten verwaantheit zeggen kan op vasten grond, en door zichtbare stalen betogen dat hy de Konst volmaakt verstaat, wy zullen hem onder den lommet dier blinkende eerekroon, met de gansche Konstschool roem offeren.
Tot meerder verschooning moeten wy ook zeggen dat wy met een goet hart van onze grootste Konstschilders zeggen, het geen Pels van de beroemste Dichters:

En ’t moeit me in’t hart, als Hooft, of Vondel zomtyts missen.

De gebreken of misgrepen staan onder de berisping even als de Scholieren onder dien welke hun onderwyst; en dus is noodig dat de fouten aangewezen worden, om de zelve te verbeteren, of na-

der-
Q 5