Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/287

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
250
Schouburgh der

derhand te myden. Of waar het beter, dat wy uit schroom van de beenderen der overledenen te ontrusten, de leerbegerige Jeugt, de werken der beruchte meesters blindeling voor Orakelen in de vuist stopten, en lieten hun het pryslykste teffens met het gebrekkelyke maar dommelings volgen? zoo was ’er nooit geen verbetering in de Konst te wachten.
Daar zyn gebreken die uit gebrek van Konstkunde ontstaan: daar zyn ’er die by vergissing of verhaasting insluipen: weer andere die uit gebrek van verstant spruiten. De tweede soort zyn door opmerking licht te verhoeden. De eerste hebben wat meerder werk aan, dewyl men om daar toe te geraken den Konstberg met vlyt en arbeit wat hooger moet opklauteren. Maar de laatste zyn de gebreken die voortkomen uit gebrek van verstant, deze zyn ongeneeslyk; want gelyk de onwetende zich zelven niet kennen, zoo hebben zy ook geen drift om te zoeken ’t geen hun ontbreekt. Hier van daan komt het (zeit Gratiaan) dat, hoewel de hemelspraken zoo zeltzaam zyn, men haar niet meer van nooden heeft; aangezien niemant haar komt vragen.
Ik wil als het spreekwoord zeit: Niet hard Kinders wezen. De gebreken, die ik thans berisp, behooren niet zoo zeer tot het zakelyke van de Konst, als wel tot de byvoegselen: anders zou ik een scherpgetande roskam gebruiken, daar ik deze met een zachte onderwyzing zal laten deurgaan.
Immers zal yder, by wien de reden is gehuisvest, myn doen pryzen, inzonderheit wanneer hy een recht begryp van het nut dat uit dusdanige berispingen geboren word kent. Let maar eens

met