ten loots verstrekt, om dusdanige klippen zorgvuldig te vermyden.
De oude wyzen hebben een opmerkelyke zinspreuk ingevoert die zeit: ’T is beter een zaak niet te doen, dan kwalyk te doen. En hier op ziet dit volgende verhaal. Myn Meester Sam. van Hoogstraten had voor gewoonte, dat hy zyne Leerlingen wekelyks, in hun buitentyd een schets van eenig Historisch geval (waar toe hy ons het voorwerp aan de hand gaf) deed maken. ’T gebeurde dat ik een werkelyke schets, over een Schriftuurlyk voorwerp gemaakt, aan hem vertoonde, daar by ik tot vulling van het werk eenige omstandigheid tot sieraad verzonnen had, meenende daar door my wel degelyk te hebben uitgeslooft; maar myn broek was zoo nieuw niet als ik my wel verbeeldde: want hy ten eersten (wyzende op dat byvoegsel) vraagde, wat wil dat zeggen? Ik antwoordde, ’k heb dat kwanzuis zoo gemaakt: waar op hy tot my zeide, men moet geen kwanzuizen maken; maar van alles dat men maakt reden geven, waarom men het gemaakt heeft, of anders niet maken. Dus kreeg ik in plaats van Bon, een meesterlyke schram.
Even de zelve grondles geeft meergemelde Pels ook aan de Toneeldichters in zyn Gebruik en Misbruik des Toneels op pag. 47, dat wy op de Schilders toepassen ’t geen wy voortaan zullen doen, daar het te pas komt in stee van op ’t einde onzes Boeks, gelyk wy belooft hebben. Hy zeit:
’k Bemin die, maar voor al bemin ik, door de gunst
Door Zanggodinnen, stof, en schikking na de Kunst.