Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/293

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
256
Schouburgh der
Wat is ’t een schade voor de Konst, dat zig zoo braaf
Een hand, niet beter van haar ingestorte gaaf
Bedient heeft! wie had hem voor by gestreeft in ’t schild’ren?
Maar ach! hoe eed’ler geest, hoe meer hy zal verwild’ren,
Als hy zig aan geen Wet, of snoer van Regels bind;
Maar alles uit zig zelf te weten onderwind.

Die geen beproefde leiding volgen wil kan licht dolen; en die door een styfnekkige verwaantheit de zelve veracht, raakt nooit tot volkomenheit. Daarom heeft Gratiaan, (hier wel ter snee) gezeit: sommigen zouden wys werden, indien zy dat niet geloofden te zyn. Dus wil ik de schilderjeugt toespreken met de woorden van den Prediker daar hy zeit: Indien gy het oor leent gy zult leeringen ontfangen, en indien gy vermaak neemt in toehooren, zoo zult gy wys werden.
Al wie toeleg maakt tot het verbeelden van Historien doet best zulke te verkiezen, die hy oordeelt dat elk die wat belezen is straks kan kennen, en met den eersten opslag zien wat zy verbeelden, zonder dat men angstig daar na ramen moet, of de aanschouwer der Tafereelen lang in den dut gehouden wort: het geen in opzicht van zulke alleen veroorzaakt word, wanneer zy in de duidelyke kenteekenen vermenging of verandering maken, en dus oorzaak tot duisterheit geeven. By voorbeeld: Ik zie een troep menschen met eenige huisdieren als vluchtende verbeeld, wat zal ik daar van maken: of waar op toepassen? maar zie ik verbeeld een troep yzersmeden, welke nevens een deel Hanen ter Stads poort uitgedreven worden, straks

zal