zal my op het zien van ’t zelve in gedachten komen dat de Sybariten een volk tot alle weelden en luyheit overgegeven, de Hanen nevens de Smeden ter Stadt uitdreven; om in hunne wellustigen slaap niet ontrust of gestoort te werden, en nevens my allen, die Pet. Francius Lofreden van den Haan gelezen hebben. Even dus, wanneer men een Grieksche oeffenschool verbeeld ziet, en daar inkomen een man met een geplukten Haan, zal elk die het kluchtig levensspel van Diogenes gelezen heeft, straks zien dat die man den Haan Diogenes verbeeld, die daar door de redenvoering van Plato beschimpte.
Het zy dan dat de Historien, die men verkiest om te verbeelden, hare eigen kennelyke teekenen en byvoegselen met zig brengen, het zy men die van elders daar by toevoegt; zy moeten altyd eigen zyn aan de zaak, gelyk de Heer Ger. van Loon hier van heel verstandig in zyne Inleiding tot de Penningkunde dus zeit: Dat ’er niets tot bysieraden moet geplaatst worden, dan ’t geen op het bedoelde oogwit zyne betrekking heeft, en aan het zelve eigen is. Even gelyk op het toneel geen Persoonagien worden geleden, welke niet tot het ten einde brengen van het spel wezentlyk mede werken; en word dat Toneelspel voor het volmaakste in dat deel gehouden, daar alleen zoodanige Perzoonagien worden ten Toneel gevoert, die alle mede haar wezentlyk belang hebben, in het ontknoopen van de vertoonde zaak; en dus zyn alle byvoegselen welke in plaats van luister by te zetten, de eenvoudige grootsheit, en ’t wezentlyke komen te verdooven &c, p. 101, eindelyk, De bysieraden moeten de hoofdpersoonadien zoo kennelyk maken, dat men niet genootzaakt is daar boven te schryven, dit is die, &c.
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/294
Uiterlijk
Deze pagina is proefgelezen
257
Schilders en Schilderessen.
II. Deel.
Even
R