Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/298

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
261
Schilders en Schilderessen.

Christina; hun aanbiedende brieven van voorschryving om haar Hofschilder te worden; waar toe Meyburg geen genegenheid had, en Pierson daar toe niet kon besluiten, om dat hy ruim een half jaar te voren getrout was: dus zy dien roemruchtigen Veltheer voor zyne aangeboden gunst bedankten, beleeft hun afscheit namen, en hun reis naar Hollant bevorderden.
Van Schiedam vertrok Pierson in den jare 1654 met zyn huishouden naar Gouda, en heeft daar veel Pourtretten, en Historystukken zoo kleen als groot met een stout penceel, en goeden welstant geschildert, welke zoo in die Stadt als elders by Konstminners gevonden werden. Ziende ook dat het Jaghttuig, Vogelkouwen, en Schietgeweer geschildert door Leemans toen in byzondere agting was en wel betaalt werd, begon hy deze wyze van schilderen mee ter hand te nemen, ’t geen hem zoo toeviel, dat nooit iemant hem daar in gelyk geweest is, als by de stukken in handen van vele Konstkenners blykt, die zoo natuurlyk geschildert zyn dat yder ding in ’t byzonder schynt van den wand af te hangen, waar door menigte van menschen bedrogen zyn geworden.
Door hem zyn ook alle de glazen in de St. Jans Kerk tot Gouda, door de beruchte Crabetten en anderen Konstig beschildert, in ’t kleen op perkament afgeteekent. Welke teekeningen onder de Heere Borgermeesteren berusten.
Van Gouda begaf hy zig wederom in ’t jaar 1679 met ter woon tot Schiedam op ’t verzoek van zyn tweede Vrouw, die daar woonachtig was en heur vrinden had. Hier bleef hy tot den jare 1691, wanneer hy zig voor de tweedemaal tot Gouda nederzette, daar hy tot het uiteinde

van
R 3