ten te verbeelden Lantschappen, Bloemen, Gedierten, Pourtretten enz. zoodanig dat men in een weinig afstant niet anders kon zien dan dat de zelve dingen, met verf, door een welbedreven penceel geschildert waren.
Een van hare Konstwerken, waar in een oude stam van een boom kwam, een spin in haar web, en voort een Lantschap, werd voor 500 guldens verkogt, de stam was zoo natuurlyk met zyn schors, kwasten, en most bewassen, als ook de spin met haar fyne weefsel, naar ’t leven afgebeelt, dat het werk elk tot verwondering strekte, te meer alzoo men de wyze hoe het zelve gemaakt was, niet konde begrypen, waarom het gemeene volk van haar zeide: dat zy tooveren konde. M. Carre die verscheiden van hare Konstwerken gezien heeft, zeit: dat zy een pourtret gemaakt had, dat wel geleek, zynde de koleuren van ’t naakt zoo zacht in een gedommelt en smeltende even of het met olyverf geschildert waar geweest.
Een stuk van haar beste werk is by den Groot-Hartooge van Florenzen, en andere elders, daar zy veel gelt voor gekregen heeft.
Zy stierf ongetrout in ’t Jaar 1682, in den ouderdom van 50 Jaren.
Haar volgt de brave Amsterdamsche Konstschilder WILLEM SCHELLINKS. Deze wanneer hy de Konst meesterlyk verstont en tot reizen geneigt was, vond daar toe een schoone gelegentheit, wyl den Heere Jakob Thierry de Jonge een zucht bekroop om vreemde landen te bezien met wien hy tot gezelschap mee ging. Deze reis nam aanvang op den 14 van Hooimaand 1661 en duurde tot den 24 van Oegstmaand 1665, binnen welken tyd zy Engelant, Vrankryk, Italien,