merkt ook aan, wanneer de Beeltenisse van Karel den Isten voor de tweedemaal werd opgezet; dat Olivier Kromwel het eerste beeld de handen had doen afsmyten, en boven het zelve met goude letteren schryven CAROLUS PRIMUS TIRANUS EST; en naderhant het zelve geheel doen verbreken. Van daar quam hy tot Westmunster om de groote Hal, ’t Hof van Justitie te zien, door Koning Eduard den tweeden gebout; die 19 jaren 7 maanden en 5 dagen geregeert hebbende stierf 1327, of zoo anderen willen door Richard den IIden die 1399 stierf, na dat hy 22 jaren 3 maanden en 14 dagen het ryk bestiert had. Voort zag hy ook de zitplaats van ’t Hoogerhuis om de heerlyke tapytzeryen, waar mee de wanden bekleed zyn, en waar in alle de Zeeslagen onder de Koningin Elizabet en Eduard konstig afgebeelt zyn, neffens de beeltenissen der Zeeoversten, die in lysten ophangen, inzonderheit het konstig [1] geborduurde behangsel, agter de zitplaats des Konings te zien. Als ook de verscheiden Konstkamers met de keurlykste oude en nieutydze Italiaansche en Nederlantsche penceelkonst behangen. Dus melt hy ook van een lange groote zaal rondom tegens den muur behangen met de pourtretten der Professoren, en afbeeltzels der aloude Artzen, in de Universiteit te Oxfort. Aanmerkelyk is de Beeltenis van
- ↑ Hier in staat in ’t midden een Vrouwenbeeld verbeeldende de Lente zeer fraay en konstig van teekening en zwier, dit is met allerhande levende koleuren en goud en zilverdraad met de naald gewrocht, door de Koningin Maria Dochter van Jakob den V Koning van Schotlant en Moeder van Jakob den I Koning van Engelant die na Elizabeth op den troon kwam, als zy op het Kasteel Frodigua gevangen zat.