Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/307

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
270
Schouburgh der

van ik ’er twee heb gezien, waar van de verbeelding vremd en geestig, en doet zig daar in zien 1 een uitgeholde rots als een portaal waar in (zoo men zeit) de Apostel Paulus na zyn schipbreuk zou geslapen hebben. Hier in werd in ’t jaar 1624 een deurgang gevonden tot een onderaardse Kapel, of eer een begraafplaats, want men in de zelve alzins dootsbeenderen en bekkeneelen ontdekte. 2. de verheven plaats van waar de Apostel den Meliters het Evangelium gepredikt heeft, daar een gedenkteeken opgerecht is. 3. De overblyfselen van St. Paulus Kerk, door de eerste Kristenen gebout op de plaats waar de Kruisgezant de adder van zyn hand afslingerde in ’t vuur. 1616 is hier nevens aan een Kerkje gesticht door de Grootmeester Alofi de Wignacourt, wiens beeltenis konstig geschildert, zig boven ’t Altaar doet zien in het tafereel waar in Paulus verbeeld staat, zig warmende by het vuur, als hy uit de Zee ontkomen was, nevens een deel vrouwen en mannen op zyn oud Maltezers gekleed, en onder het zelve dit Latyns schrift:

Vipera ignis acta calore frustra Pauli manum invadit: is insulae benedicens anguibus & herbis adimit omne virus.

Dat is:

Een adder door de warmte gaande geworden vat de hant van Paulus, die het eilant zegenende den Slangen en Kruiden al hun vergif beneemt.

Te Lorette zynde heeft hy alles naaukeurig bezien en aanteekening daar van gehouden, maar

niets