Rembrant geleert, maar verliet vroeg die wyze van schilderen, te meer toen hy zig tot het schilderen van pourtretten begaf, en wel zag dat inzonderheit de jonge Juffrouwen meer behagen namen in het wit dan in ’t bruin.
Hy had een vaardig en vleyend penceel ’t geen hem wonder wel diende in ’t schilderen van pourtretten, daar hy zig geheel toe begaf, en ’t geen hem ook zoodanig toegevallen is, dat ik niet weet dat ’er een Schilder voor of na hem is geweest, die gelukkiger is geweest in ’t wel treffen der gelykenissen van der menschen weezens.
Terwyl ik spreek van wel gelyken, komt my in gedagten dat de potzige K. v. Ryssen daar op zinspelende een geestig puntdicht gemaakt heeft, waar in hy zulke schilders met de Doodgravers in zeker opzicht gelyk stelt. Denk niet, Lezer, dat ik dit tot verkleining van dat deel der Konst te pas breng; maar om de geestigheid: en om dat men van de braafste pourtretten niet, als van Historien, zoo ten opzigt van de welvoeglyke schikking, verdeelinge van Groepen, Houding, enz. kan spreken; maar daar alleen van kan zeggen: dat dezelve konstig geschilderd zyn en wel gelyken; daar de Dichter aldus op zinspeelt:
Kan zien, hoe dat den een’ den andren tegenwerkt.
Deez’ zoekt door leven, die door Dood zyn gelt te stryken;
Maar hier in zyn zy’t eens, zy houden bei van Lyken.
Maas trok met ’er woon van Dordrecht naar Amsterdam in den jare 1678, daarhy ook gestor-