Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/312

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
275
Schilders en Schilderessen.

ven is, in de Wintermaand van ’t jaar 1693 oud 61 jaren.
Hy zig met zyn huisgezin tot Amsterdam neergeslagen hebbende kreeg de handen zoo vol werk dat het voor een gunst gerekent wierd, als den eenen voor den anderen, gelegentheit wierd ingeschikt van te konnen voor hun pourtret zitten, en dit bleef zoo duuren tot het einde van zyn leven, waarom ’er ook een groot getal pourtretten onafgedaan zyn na gebleven.
Wat zyn wyze van leven aangaat, die was stil, beleeft, borgerlyk, vergenoegt, en vrolyk; uitgezondert in zyn laatste levensjaren, waar in hy deerlyk met de Jicht geplaagt werd. Hy was by uitnementheit yverig in ’t voortzetten van zyn Konst, kwam zelden of nooit by gezelschap, en had een zonderlingen afkeer van de kroegen, en zulken die zig daar aan verslingeren. Egter nam hy (wanneer hy een geruimen tyd zonder tusschenpoozen geblokt had) wel eens een uitspanning, om zyn geest wat te vermaken. Gelyk hy tot dien eynde eens een speelreys naar Antwerpen gedaan heeft, om de overheerlyke penceelkonst van Rubbens, van Dyk, en andere hoogvliegers te zien, als ook de Konstenaars te bezoeken. Dat ik daarom voordachtelyk aanroer, om dat ’er in die reis iets aanmerkens waardig voorviel. Te weten t’Antwerpen gekomen, ging hy dezen en genen Konstschilder, onder andere ook den vermaarden Jordaans bezoeken. Aan ’t huis gekomen werd hy van een jongen ingelaten die hem in een zyvertrek liet gaan, daar veel Konst van brave Meesters aan den wand hing.
Hy, die op de komst van Jordaans stont te wachten, liet onderwyl zyn oog dan hier dan

daar
S 2