daar overgaan, bleef zomwyle ook op ’t geen hem best beviel wel wat staan, ’t geen van Jordaans door een spleet van de Deur werd afgetuurt. Eindelyk binnen gekomen, en hem verwellekomt hebbende, zeide dat hy al bespeurt had dat hy een Schilder, voor ’t minst een Konstkenner moest wezen, aangezien hy ’t oog straks op ’t waardigste, dat in zyn Konstvertrek hing, vestigde: vraagde voorts wie hy was, en van waar hy kwam. Na dat zy nu een geruimen tyd met malkander over en weder van de Konst gesproken hadden, en Jordaans aan hem ook zyn Konstwerk vertoont had, vraagde hy eindelyk, en wat maakt gy? Maas al wat verlegen, ziende dat zyn Konstlicht maar als een nachtkaars by de Konstfakkels die hem voorgestelt werden te vergelyken was antwoordde met een flaauwe stem, dat hy een Pourtretschilder was. Waar op Jordaans de handen ’t zamen ley, en zeide, Bruer ik heb deernis met ou, hen dy me van die Martelaren? ziende op die verdrietige berispingen, en slaafse onderwerpinge van ieders geneigtheit, ’t geen zulke Schilders niet zelden getroost moeten wezen. ’t Geen hy ook al in zyn tyd ondervond. Zekere Mevrouw (wier naam ik niet melden wil) die op veere na de schoonste niet was, liet haar pourtret van hem schilderen, ’t welk hy zoo even, als het was met al de pokputten en naden had nagebootst. Zy opgestaan zag zoo vies als zy wel mocht, zeggende tegens hem: Wat Duivel, Maas hebje daar voor een monstereuze troony naar my gemaalt! ik begeer ’t zoo niet gemaakt te hebben, de honden zouden ’t wel nabassen, zoo ’t over de straat gedragen wierd. Maas, die toen haast bemerkte wat ’er voor hem te doen stondt, zeide: Mevrouw, ’t en
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/313
Uiterlijk