is noch niet voltooit, en verzocht haar andermaal te zitten: nam een Vispenceel en verdreef al die pokputten, zette een blos op de wangen en zeide, Mevrouw nu is het gedaan, u believe het nu eens te zien. Zy het gezien hebbende zeide: Ja, zoo moest het wezen. Zy nam daar genoegen in toen ’t ’er niet geleek.
’T was al een klugtige schilderbaas, die, als hem diergelyk een voorwerp voorkwam om af te malen, ’t zelve met een doek voor d’oogen schilderde: en gevraagt naar de rede waarom hy zulks deed, zeide:
Waarom? om dat’s altyd zig zelve eerst heeft bedrogen.
Vorder zeggen wy:
Dat een, die van Natuur met schoonheit is beschonken,
En ziet dat alle met verwond’ring haar belonken,
Daar groots op is, word nog gebillykt, of geduldt;
Maar dat een leelykbek, zwart, krepel en gebult,
Zig zelve schoon waant, zig verblint steeds kan behagen,
En wil dat elk zulks waant, is niet om te verdragen.
JOHAN HENRIK ROOS, geboren te Frankfoort, wiens beeltenis hier tegens over in de plaat K. boven aan te zien is, heeft de Konst geleert tot Amsterdam by Barent Graat, daar hy zig inzonderheit oeffende in ’t schilderen van Schaapjes, Geitjes enz. waar in hy in korte jaren zoo toenam dat hy in den jare 1673 schilder wierd van Karel Ludowyk Keurvorst van de Palts, voor wien hy veele konstwerken die roem verdienen gemaakt heeft.