Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/322

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
283
Schilders en Schilderessen.

beleezen, dat is my onverschillig: maar het kwam zoo veer dat de Kardinaal Vicaris, dat is, Opperhoofd van de Inquisitie, zyn Heiligheid Innocentius den II ging spreken, en hem die zaak voordroeg. De Paus vraagde daar op: wie de Jongman was wie de Vader van de Dochter, en wat zy beyde deden. En als hem gezeid wierd dat het beyde Konstschilders waren, zeide hy: dan is het soort by soort: en gaf order dat de Dochter uit het Klooster gehaalt, en met Roos getrout zou worden, het welk geschiedde, moetende de Vader, hoe noode hy dit had, zulks om des Pausen woord, getroost aanzien. Ook zou hy zekerlyk met den Vader in vrindschap gekomen hebben, indien hy den dach na de trouw, dien misslag welke hem naderhand wel roude, niet bedreven had. Hoewel wy gelooven dat hy die zaak zoo erg niet gemeent heeft, als ze wel wierd opgenomen, en dat hy daar door maar alleen heeft willen te kennen geven, dat hy haar buiten eenig ander inzicht als uit liefde tot haar, getrout had, ook haar op zyn beesteschilderen, als in haar vorigen staat, kon onderhouden.
Hy stont den eersten morgen na het trouwen vroeg van zyn Bruid op, nam al zyn Bruids Juweelen, Kleederen, Kouzen, Schoenen, tot het hemd ’t geen zy aan had in ’t kluis, bondt het tot een bondel te zamen, en liet het aan haar Vader brengen, en daar by zeggen: dat de Beesteschilder dit niet noodig had, dat hy zyn Dochter alleen naakt begeerde te hebben. Dit nam Brandi zoo euvel op, en het smartte hem zoodanig dat hy zig daar over kwelde, en kort daar aan stierf, na dat hy al vorens haar onterft had van zyn nalatenschap, die tot een groote som gelt begroot werd.
Terwyl nu alles tot de bekleedinge

op