in Engelant gekent heeft) heeft my verhaalt; dat hy het levensgroote paard, waar op het Beelt van Frederik Hartog van Schomberg zit, en het plaan van de Batalje in ’t verschiet (’t geen door gemelde J. Smit konstig geschraapt in print uitgaat) ten dienste van Godf. Kneller (die alleen ’t pourtret van den Hartog gemaakt heeft) met veel roem geschildert heeft.
Hy was te Londen getrout, en is daar ook gestorven.
De bevinding heeft door menigerhande, zoo oudtydze als jongere voorbeelden doen zien, dat, menschen die tot eenige voorname oeffeningen geboren zyn, de neigingen daar toe, al vroeg met het ryzen van hunne lentezon hebben doen blyken. Dus heeft men wanneer dit driftvuur op geenderhande wyzen te stuiten was, op vasten grond met het Maasorakel[1] besluit gemaakt, dat zulke dan eerst recht tot die oeffeningen, daar hunne geneigtheid toe overhelde, bekwaam waren.
’T volgende voorbeeld zal dit gezegde ten overvloed bewaarheden.
GOVERT FLINK geboren te Kleef, in de Wintermaand van ’t jaar 1616. vond zig van het begin zyner jeugt geneigt tot de Teekenkonst. Zyne Ouders die voornemens waren een Koopman van hem te maken, hadden hem (wyl hy nog te jong was om buiten hun opzicht tot zulk beroep te bestellen) in een voorname zyde stoffe winkel binnen Kleef besteed. Maar ’t leed niet lang of zyn Patroon klaagde dat hy meerder werk van Mannetjes en Beesjes op ’t papier te teekenen maakte
- ↑ Erasmus.