Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/333

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
294
Schouburgh der

tot het schilderen van Lantschappen begaf, gelyk ’er thans noch tot Amsterdam in ’t huis van den Heere van Kerkwyk een groote beschilderde zaal van hem te zien is. Doch de vlerken van zyn vermogen groeiden zoo sterk niet aan dat hy een hooge vlucht konde nemen. Des liet hy in tydts af van de konst te oeffenen; wyl hy doch daar zoo heel breed niet by stont, en doelende op grooter voordeelen begaf zig t’eenemaal tot den Konsthandel, sloeg verscheiden brave schilders en jonge borsten aan, die anderzins niet konden te recht raken, en liet hen stukken van geachte meesters, yder naar zyne bekwaamheit na schilderen, om de zelve met winst uit te venten, en ’er zomwyl een onegt stuk onder den hoop doorsluipen. Wiert het niet gemerkt, hy liet het ook ongemerkt doorgaan.
Hy kreeg gelegentheit om een groote party van Konststukken, zoo Italiaansche als andere, aan ’t Hof te Berlyn te leveren, daar de Vorst hem voor uit 4000 gulden geschoten had; maar deze som kon weynig helpen, aangezien hy zulk een groot getal alzins, (op voorwaarde van de zelve te betalen zoo haast die gelevert waren) by een geschraapt had, dat hy daar voor een som van dertigduizent gulden van den Vorst vorderde. Doch die handel werd gestremt. De Vorst liet eerst Ottomar Elliger den ouden, die Hofschilder was, roepen, die zyn oordeel in hield, met zeggen: dat, zoo het Bloemstukken geweest hadden, hy daar over den Vorst ten dienst zyn oordeel zou gegeven hebben. Waar op de Vorst den Konstschilder Fromentjou, die een Historie en Beesteschilder was, liet halen om van die stukken te oordeelen. Deze die voor henen op de Galey (gelykmen in Italien het schilderen voor de keelbeulen dus gewoon is te

noe-