Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/334

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
295
Schilders en Schilderessen.

noemen) gezeeten, en zelf voor Uilenburg geschilderd had, en dus den handel dier vosschen kende, doopte de zelve met den naam van kopyen, verzekerende den Vorst, dat hy de egte zoude in Hollant en elders konnen aanwyzen, en bekomen, waar door de Vorst van de zelve afzag, geen bod daar voor bood, maar beval de zelve weder weg te voeren, en schonk hem gemelde 4000 gulden, voor de kosten daar op geloopen door ’t vervoeren. Gelukkig zynze, die, (daar het in’t gemeen dus toegaat) niet door een anders bril, maar uit eigen Konstkundige oogen zien kunnen, en uit een talloos tal de egte uit de met schyn geferniste, en met logens vergulde stukken weeten te onderkennen. Zulke, daar de Heer N. A. Flink mee onder getelt word, konnen aan elk die hunne Konstkabinetten beschouwen, straks doen zien, dat zy goede Keurmeesters zyn.
Dit gaf (om voort te gaan) een grooten krak aan de waarde dier Konst, en bracht den bezitter in verlegentheit, zoo dat hy genootdrukt wierd ten ontyde, in ’t Jaar 1673 op den 23 van Sprokkelmaand tot Amsterdam koopdag van de zelve te houden.
J. v. Vondel maakte op zyn verkooping der Italiaansche schilderyen dit volgende gedicht.

Nog spant de Schilderkonst de kroon by brave Heeren,
En zwicht voor onverstant, nog geen grimmas van Nyt.
Zy wil de ruime Zaal van Uilenburg stoffeeren
Met Italiaansche kunst, in dezen droeven tyt:
Schoon Mars, in ’t harrenas gewapent, ten bederve
Des volks, de landen zet in vuur en vlam uit wraak.
Dees tiende Konstgodin, verkoren by Minerve,
Spreekt
T 4