Spreekt door haar schoone verf een stomme beeldespraak.
Een yders hart verlangt naar prys in ’t vrolyk loten,
De God Apollo komt, vol levens en vol geest
In dees vergadering. Hy groet de Konstgenooten
En speelt op zyne harp in ’t midden van dit feest.
De mist der lastertong verstomt door ’s kenners klaarheit
De logentaal verdwynt voor ’t helder licht der waarheit.
Of Fromentjou nu met waarheid dus tot veragting van die Konststukken gesproken heeft; dan of hy Uilenburg dat voordeel niet gunde, of een ouden wrok op hem had, en hem dien dus betaalt zette, dat laat ik daar: maar uit het bovenstaande vaars is duidelyk genoeg te bespeuren dat ’er de wangunst de tanden in gezet had, en teffens ook dat den Dichter hem een vrint was.
Vele hebben gemeent dat hy groote schade door die ontydige verkooping geleeden heeft, maar de brave Dichter J. Antonides geeft in den Toezang van zyn Zege der Schilderkonst (by verzinning onder Vondels mengeldichten geplaatst) het tegendeel niet duister te kennen, als hy zeit:
Van Italjaan en Nederlander
Den opgerechten Oorlogsstander,
En wint by alle kenners gunst.
Daar Uilenburg zyn schilderyen,
In spyt van alle razernyen,
Hoe elk ons dreigt te vier en zwaard,
Met winst vertiert, bedankt van Heeren,
Dien ’t lust hun Zalen te stoffeeren
Met zulk een rykdom, lang vergaart.