Dies hoe de krygselenden treffen,
De Schilderkonst mag ’t hooft verheffen.
Het zy daar mee zoo ’t wil, zyne agting hier door gekrenkt zynde, vertrok hy naar Engelant en hielp by wylen voor Pieter Lely (daar hy kennis aan had) kleeren en Lantschappen agter zyne pourtretten schilderen, en kwam met een aldaar te sterven.
Die beminnaars van Roomsche Konst zyn, of Italie hebben doorreist, en de konst der groote meesters gezien, weten niet alleen met verwonderinge van de zelve te spreeken, maar ook boven menschelyke werken te roemen, en dus elk een groots denkbeelt daar van in te drukken. Dit doen ook inzonderheit zulke die daar handel mee dryven. Zoo haast en komt ’er dan geen konststuk van Italie tot ons, of van elders op een openbare verkooping, of straks, op ’t spellen van een groot meesters naam, staat elk met verwondering de zelve te begapen, en door vooroordeelen ingenomen verwonderlyke schoonheit daar in te ontdekken, of ten minsten zulks, zig zelven, en anderen wys te maken. Dit doen zelf zulke die daar even zoo veel af weten als ’t Kalf van den Zondag, en maar alleen napraten ’t geen zy van anderen hooren zeggen, een bederf dat van langzamer hand ingekropen, onze brave Hollantsche konst kleynagting aandoet.
Het vooroordeel doet dikwils meer zien als zuivere bespiegelinge, en geeft het zelve genoegen. Tot bevestiging van dit gezeide dient dit eene staal. Izak de Moucheron uit Italien gekomen had onder een menigte van Modellen ook mee gebrocht een doek dien hy zelf beschildert had naar een