’t geen men in de Nederlantsche schilderyen veragt, en uitvist, dat is ook zeker niet wel te verdragen.
Daar is geen goud zonder schuim zeit de spreuk, nog ook geen schildery zoo slecht, of daar is wat in dat men roemen kan. Dit zyn de twee hantvatzels die de Konst heeft, en ’t scheelt heel veel by welk men de zelve aangrypt.
Gelukkig was de Konst in ’t algemeen, en de levende Konstschilders in ’t byzonder, indien hunne werken door onzydige oogen beschout, en zonder agt te geven op namen, volgens hunne waarde wierden geoordeelt; dan zouden vele het hooft noch boven steken, die nu in de veragting begraven, geen vrucht van hunnen arbeyd plukken. Ongelukkige, die onder de verdrukking zuchten, en in al hun levenstyd geen Mecenassen aantreffen, die hen in spyt der wangunst opbeuren.
In de stukken der uitlanders, en de Konstwerken der overledenen, worden de gebreken eerder over ’t hooft gezien, dan in die der levendigen. Dezer werk diende wel volmaakt te wezen, zal ’t voor gangbaar deurgaan; om dat het door bedilzugtigen naau gezift, getoetst, en ter monstering gebragt wort.
Zyn ’er onder die in de bruinte wat twyffelagtig zyn, men zeit straks, ’t is om de misslagen te bedekken.
Gebeurt het dat zommige hunne werken voor aan sterk en agter bruin maken, straks hoort men zeggen: dat de natuurlyke helderheit daar in niet is waargenomen, en dat het geen Konst is, wit tegen swart te doen afsteeken. En zoo ’er gebreken of fouten in zyn, de zelve worden luider als
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/338
Uiterlijk
Deze pagina is proefgelezen
299
Schilders en Schilderessen.
de