me (daar de braave Konst in grooter waarde is dan hier te Lant) Konst te koopen, om elders uit te venten.
Onder die welke in hun jeugt den Leertyd yverig en naarstig waargenomen hebben, word ook getelt de konstige pourtretschilder JAN de BAAN, geboren tot Haarlem op den 20 van Sprokkelmaand 1633.
Zyn Vader was een koopman in Linnen en Vlas: doch deze, en zyn Vrouw werden door de doodseis afgemaait, als hy pas drie jaren oud was. Van welken tyd af zyn Oom Piemans Hopman en Veertiger tot Emden (die ook de Schilderkonst oeffende, op de wyze van Jan Breugel gebynaamt den Fluweelen), hem in zyn huis nam, en onderwees in de beginselen der Konst. Hy maakte ook veel werk van hem, aangezien hy vernuftig was, en zyn handen tot alles wist te zetten, zelfs des Winters avonts tot naayen en breyen, en andere Vrouwelyke bezigheden, daar zyn Moey groot behagen in had, en hem tot haar gezelschap ook liet voor haar lezen in de Boeken van Amadis van Gaulen. Doch hy had altyd meer zucht tot het leven der Schilders te lezen door Kar. van Mander beschreven, waar toe zy hem nooit behoefde aan te manen.
In ’t jaar 1645 kwam deze Oom te sterven en werd de Baan het jaar daar aan volgende, zynde toen 13 jaren oud, tot Amsterdam bestelt om de Konst onder opzicht van den Konstschilder Bakker voort te leeren, daar hy de gansche dagen, en voort de halve nachten aan zyn huis met vlyt de Konst oeffende, zoo dat zyn opzichtster, daar hy by woonde, dikwerf daar over gromde.