waarom dit ook daar na onder de Redenen van Oorlog (onder voorgeven dat de Kroon van Engelant smaatheit aangedaan was met de zelve onder den voet van den verwinnaar te plaatzen) als een grieve geplaatst wert. Men zeit ook dat het in den beginne dus wel geschildert was, maar op het eerste gezicht van een Heer weder uitgevaagt wierd. Dog D. Vincentius, die met zyn Dochter getrout is, verklaart my in een Brief geschreven den 2 van Sprokkelmaand 1717, dat zulks nooit geschiet is, en hy ook zulks aan ’t stuk niet heeft konnen ontdekken, ’t zy aan den voet, of in de Cornu Copiae, die van eersten af wel met beeltenissen van Rykdom, maar niets met ’t geen naar Kroon of Septer zweemde, bemaalt was, en by gevolge dit maar een uitstrooizel, en gezogte reden tot Oorlog is geweest. My kwam dit volgende vaars, zinspelende op het bovengemelde Konststuk in de hand, en heb het niet onvoeglyk gedagt hier te plaatzen.
Dus komt de Konst de Wit te maalen,
En ’t Brittenlant rontom in Zee,
De Theems en Chattams kromme ree.
Zoo breektmen ketenen en paalen.
Hier raakt de Britze Vloot in brant,
En ’t geen de vlam ontvlucht aan strant.
Nog een ander.
Den Borgerheer, op wiens verstant, en goet beleit